‘Alles in de bodem is samenwerking’

 

Door het massaal verdwijnen van insecten storten onze voedselketens in elkaar en wordt de wereldwijde voedselvoorziening bedreigd. Boeren, natuurbeheerders, wetenschappers en bedrijfsleven proberen gezamenlijk het tij te keren.

De Amerikaanse wetenschapsjournalist Elizabeth Kolbert noemde het in haar boek The Sixth Extinction (2014) de zesde uitstervingsgolf. In de diepe geschiedenis van de aarde hebben al verschillende uitstervingsgolven plaatsgevonden; volgens de wetten van de evolutie is het immers volkomen normaal dat bepaalde soorten uitsterven en plaats maken voor nieuwe soorten die beter aangepast zijn aan een veranderde omgeving. Maar deze keer is het anders. Dit is de eerste uitstervingsgolf die de mens zelf veroorzaakt én die zich in moordend tempo afspeelt. We verliezen aan de lopende band plant- en diersoorten. De biodiversiteit neemt razendsnel en dramatisch af en wetenschappers van een recente studie van de Verenigde Naties waarschuwen dat dit ‘net zo gevaarlijk is als de opwarming van de aarde’.

Niet elke uitstervende soort krijgt daarbij evenveel aandacht. In Kenia stierf een jaar geleden het laatste mannelijke exemplaar van de noordelijke witte neushoorn; het droevige nieuws werd door de Keniaanse krant The Daily Nation als breaking news gebracht met een rode banner op de website. Over de afname van biodiversiteit onder de enorme groep insecten op aarde (minstens een miljoen soorten) hoorden we tot voor kort echter maar weinig. Olifanten en tijgers laten zich nu eenmaal een stuk makkelijker tellen dan mieren en kevers.

Toch is het verlies van biodiversiteit binnen deze groep uiteindelijk zorgelijker. We hebben insecten nodig voor de bestuiving van onze gewassen, als voedsel voor vogels en andere dieren, en als recyclers van onze grond. De recente VN-studie concludeert dat onze wereldwijde voedselvoorziening ‘ernstig wordt bedreigd’ door het verlies van biodiversiteit. En dat verlies begint onder aan de voedselketen, bij de insecten. Zonder kleine kriebeldiertjes raken onze bodems uitgeput en storten onze voedselketens in elkaar.

In 2017 verscheen in het wetenschappelijk tijdschrift Plos One een grootschalige Duitse studie waaruit bleek dat in de afgelopen 27 jaar 75 procent van de insectenmassa is verdwenen. ‘We zijn ons toen echt rot geschrokken’, vertelt Louise Vet, directeur van het Nederlands Instituut voor Ecologie, hoogleraar ecologie aan de Wageningen Universiteit en afgelopen jaar nummer één in de duurzame top-honderd van Trouw. Het Duitse onderzoek was, zegt ze, ‘de beroemde druppel die de emmer deed overlopen’ en zorgde ervoor dat het initiatief van het Netherlands Ecological Research Network tot de vorming van een brede coalitie in een stroomversnelling kwam. Het gesprek over herstel van biodiversiteit kwam op gang. Louise Vet, voorzitter van dit netwerk: ‘Iedereen zag in: dit moet gewoon anders. We hebben het als maatschappij zo ver laten komen; nu moeten we het ook als maatschappij weer oplossen.’

Het werd het begin van een brede beweging van natuurorganisaties, boerenorganisaties, wetenschappers, retail, banken en bedrijfsleven. Zo zijn Natuurmonumenten en het Wereld Natuur Fonds aangesloten, maar ook Land- en Tuinbouworganisatie Nederland en de Rabobank waren vanaf het begin betrokken bij de gesprekken. Namens de wetenschap reisden eind 2017 eveneens vertegenwoordigers af naar de gesprekken in Driebergen.

Op 21 november 2017 kwamen negentien partijen met de ‘verklaring van Driebergen’, waarin ze met elkaar afspraken dat een deltaplan zou worden opgesteld voor het herstel van de biodiversiteit in Nederland. De koers en doelen van dat plan werden eind december 2018 gepresenteerd in Nieuwspoort. Het Deltaplan Biodiversiteit was een feit.

In de Hanzezaal in Zwolle spreekt Louise Vet tijdens de biobeurs over het Deltaplan. ‘Alles begint bij de bodem’, vertelt ze met aanstekelijke bevlogenheid. Kort na het begin van haar verhaal komt Frits Bolkestein binnen en gaat op de eerste rij zitten. Als Vet spreekt, wordt er geluisterd. Haar verhaal is namelijk een verhaal van hoop en dat is precies waar haar toehoorders naar op zoek zijn.

Rondlopen op de biobeurs in Zwolle stemt hoe dan ook hoopvol. Workshops over groenbemesters, voedselbossen en ‘pieren power’ (over het belang van regenwormen) wijzen op innovatie en creativiteit. Enthousiaste jonge boeren, bloeiende bijenlandschappen, integrated pest management als natuurlijk alternatief voor pesticiden – er zijn talloze goede ideeën in omloop. En ze worden ook nog eens in de praktijk gebracht.

De realiteit is echter dat de biologische landbouw slechts een paar procent van het totale landbouwareaal in Nederland inneemt en dat de hoofdmoot zich nog steeds kenmerkt door intensivering en een neergaande spiraal naar de laagste kostprijs van de wereld. En dat is geen goed nieuws. Precies dat intensieve gebruik van landbouwgrond is een belangrijke reden voor afname van de biodiversiteit. In het artikel Worldwide Decline of the Entomofauna: A Review of Its Drivers in het aprilnummer van het wetenschappelijk tijdschrift Biological Conservation wijzen onderzoekers intensieve landbouw aan als een van de hoofdoorzaken van de afname van het aantal insecten wereldwijd. Ze bekeken 73 studies naar de afname van insecten en bestudeerden onderliggende oorzaken. Hun conclusie: veertig procent van de insecten in de wereld wordt in de komende decennia bedreigd met uitsterven en die wereldwijde afname dreigt te leiden tot een catastrofale ineenstorting van natuurlijke ecosystemen.

Er kwam ook kritiek op de onderzoeksmethoden van deze overzichtsstudie. Zo betreffen zestig van de 73 studies Europa en de Verenigde Staten, waardoor het lastig wordt om van een mondiale trend te spreken. Maar binnen de ecologie heerst weinig twijfel over een dramatische afname van insecten in Europa. De afname heeft te maken met klimaatverandering (vooral in tropische gebieden), met pesticiden en kunstmest en met uitbreiding van het areaal aan grond voor steden en intensieve landbouw. De onderzoekers pleiten dan ook voor een ‘heroverweging van onze landbouwpraktijken, in het bijzonder het gebruik van pesticiden, om deze te vervangen door meer duurzame, op ecologie gebaseerde praktijken’. Dat is ‘dringend nodig om de huidige trends af te remmen of om te keren, en de afnemende insectenpopulaties te laten herstellen waarmee de vitale ecosysteemdiensten van insecten worden veiliggesteld’.

Louise Vet legt haar publiek uit wat de pijlers zijn van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. ‘We hebben met elkaar een droombeeld geformuleerd voor 2030: een florerende delta voor mens en natuur. Daartoe begrijpen we dat het noodzakelijk is om het verlies aan biodiversiteit om te buigen naar herstel. Het is tijd voor bending the curve. Om dat te kunnen doen moeten we prestaties van grondeigenaren die bijdragen aan het herstel van biodiversiteit gaan verbinden met maatschappelijke én financiële waardering.’ Als een boer bijvoorbeeld een bloemrijke akkerrand aanlegt waar insecten en daardoor ook vogels op af komen, dan moet hij daar op een of andere manier een beloning voor krijgen.

Er komen vragen uit het publiek. Een van de in het deltaplan genoemde succesfactoren betreft de introductie van ‘nieuwe verdienmodellen’. Maar hoe zien die er in de praktijk uit? Een toehoorder vraagt: ‘In de jaren vijftig hadden we natuurlijk ook een Deltaplan. Maar dat plan kwam wel met een enorme zak geld. Nu hoor ik niets over geld. Het hoeft niet via de politiek, maar er is wel een visie voor 2030?’

Het klopt dat de kwartiermakers van het Deltaplan bewust de politiek buiten de deur hebben gehouden. Hoewel duidelijke en coherente wet- en regelgeving wel degelijk noodzakelijk is, zo benadrukt Vet, blijft de eindverantwoordelijkheid expliciet liggen bij de coalitie en niet bij een of meer ministeries. ‘Het is heel belangrijk dat zoiets geen politiek speeltje wordt’, aldus Vet. ‘Het moet gaan om een stapeling van verdienmodellen.’ Zo zou het mogelijk moeten zijn dat de boer die de bloemrijke akkerrand aanlegt een rentekorting krijgt op zijn lening van de bank. Met dergelijke rentekortingen is de Rabobank al begonnen in Drenthe, vertelt Vet. Daar is een pilot gestart onder melkveehouders (zie kader).

‘De verstikkende deken van ammoniak en landbouwgif die over ons landschap ligt, heeft vergaande gevolgen, niet alleen voor de natuur, ook voor onze gezondheid’
‘In ieder gebied kunnen weer andere belanghebbenden een rol spelen’, zegt Vet. ‘Daarom hebben wij het ook over een gebiedsgebonden aanpak.’ In het ene gebied gaat door verhoging van de biodiversiteit wellicht het recreatiegehalte omhoog: er zijn meer bloemen, er vliegen weer verschillende vogels rond, het publiek wil graag in het gebied wandelen en fietsen. Dan zou het op de weg van de provincie liggen om bij te dragen aan compensatie. In een ander gebied hoeft een waterschap misschien minder uit te geven aan waterzuivering door verhoging van de biodiversiteit. Dan kun je denken aan kortingen op waterschapsheffingen. Vet: ‘Het gaat erom dat het een stapeling van beloningen wordt en dat niet één partij wordt aangewezen als verantwoordelijke.’

Wim Stegeman vertelt op het podium in Zwolle over zijn akkerbouwbedrijf in Lelystad. Tien jaar geleden hield hij op met ploegen en begon met de aanleg van akkerranden. Mensen verklaarden hem voor gek. ‘In de winter houd ik de bodem zo lang mogelijk bedekt met groenbemesters om haar te voeden. Ik zie nu veel meer vogels, ook in de winter.’ In de winter heeft hij voedselvelden, specifiek voor vogels. Twee jaar terug kwam er een aparte vogelakker bij. ‘Komend jaar gaan we de sloot dempen en het watersysteem aanpassen. We zagen met de droogte dat vogels te weinig toegang hadden tot water. Komend jaar willen we dan ook twee poelen aanleggen.’

Stegeman zegt dat het allemaal niet vanzelf gaat. ‘Het zijn telkens kleine stappen. Maar ik word er wel blij van en dat motiveert ook.’ Hij pleit ervoor om de natuur te laten helpen in de bedrijfsvoering. ‘Dat is best spannend, want het vraagt om kennis en het nemen van risico’s. En die risico’s zijn niet altijd afgedekt in financiële zin. Bij mij zijn ze afgedekt in plezier, maar financieel is het soms de vraag hoe je het allemaal moet klaarspelen. Dat gaat in de biosector een stuk makkelijker dan in de reguliere sector.’

John Arink van Ekoboerderij Arink, een biodynamisch bedrijf, legt uit hoe ze in zijn bedrijf voor verbreding hebben gekozen. Zo hebben ze regelmatig schoolklassen op bezoek. Ze maken een zachte camembert en vermarkten die zelf. En ze begonnen een hotel en restaurantje op het erf. Volgens Arink is namelijk ‘de verbinding van boeren met de samenleving verloren gegaan, parallel met het verlies van biodiversiteit’.

Tijdens een bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam over kringlooplandbouw, een paar weken later, komt eveneens de grote kloof tussen boeren en de rest van de samenleving aan de orde en worden alle aanwezigen meermalen uitdrukkelijk uitgenodigd om ‘op bezoek te gaan bij een boer’. De bijeenkomst, waar ook landbouwminister Carola Schouten spreekt, is mede georganiseerd door het platform ‘de nieuwe boerenfamilie’. De aanwezige boeren benadrukken dat zij óók willen ‘teruggeven aan de bodem’, dat zij ook een ‘sociaal klimaat’ willen en zeker ‘niet alleen economisch’ denken. Tegelijkertijd vraagt een jonge boer of het publiek eigenlijk wel weet hoeveel een boer per jaar verdient als hij begint. Niemand lijkt het te weten. Rond de vijftienduizend euro bruto blijkt het goede antwoord te zijn.

Boeren hebben het niet breed, toch heerst er onder hen een ‘positieve basishouding’, denkt Ruud Tijssens, director public & cooperative affairs bij Royal Agrifirm Group. Ook Agrifirm is een van de kwartiermakers van het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. Het is een internationale agrarische onderneming die tegelijkertijd eigendom is van een coöperatie van ruim tienduizend Nederlandse boeren. Volgens Tijssens zijn boeren, als grondeigenaren of grondbewerkers, zich heel goed bewust van de uitdagingen van biodiversiteit. ‘De vraag van de boeren is alleen: hoe moeten wij dit gaan doen? Dat is waarom wij zijn ingestapt. Wij willen erover nadenken hoe we deze manier van werken per regio, samen met onze telers, op een praktische manier kunnen inpassen.’

Agrifirm is al langer bezig met alternatieve vormen van gewasbescherming. ‘Als je niet of minder gaat spuiten, moet je namelijk wel alternatieven bieden.’ Zo hebben veel boeren last van schimmels en om dat risico te beheersen wordt er preventief gespoten met pesticiden. Inmiddels zijn er ook natuurlijke gewasbeschermers. Neem aaltjes, microscopisch kleine beestjes die de natuurlijke vijand zijn van veel plaaginsecten en hun larven. Een paar jaar ‘rustgewassen’ telen, zoals granen, kan ook wonderen doen voor de grond, maar granen brengen relatief weinig op. Agrifirm helpt boeren te bekijken hoe ze de nuttige insecten kunnen sparen en ondersteunt ze met berekeningen over hoe andere vormen van gewasbescherming, zoals de aaltjes of de rustgewassen, zich verhouden tot de inkomsten. ‘Precies op dit punt hebben wij veel meer kennis nodig’, zegt Tijssens. ‘Daarom vind ik het Deltaplan zo interessant. We waren gewend om met ngo’s te praten en werkten al langer samen met wetenschappers, maar nu zitten we direct met ngo’s en de wetenschap aan tafel, waarbij we met z’n allen op een andere manier tot nieuwe, praktische kennis komen.’

Daarbij wijst Tijssens erop dat de nieuwe systemen en verdienmodellen zo moeten worden ingericht dat ze aansluiten bij mondiale ontwikkelingen. ‘Zeker in de akkerbouw gaat een zeer groot deel van de Nederlandse opbrengsten naar het buitenland. Je moet systemen ontwikkelen die internationale organisaties, zoals het Sustainable Agriculture Initiative Plaform, SAI, makkelijk kunnen integreren in hun eigen systemen. Want als ketens als Walmart en Unilever, beide aangesloten bij SAI, gaan vragen om andere methoden heeft dat een direct effect en een zeer grote impact wereldwijd.’ Landbouw houdt immers niet op bij de grenzen van Nederland.

Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Bedrijfsleven, wetenschap, boeren, natuurbeheer en ecologie, allemaal samenwerkend aan die ‘florerende delta in 2030’. Zonder regie van de overheid, helemaal bottom up. Volgens emeritus hoogleraar ecologie Frank Berendse ís het dan ook te mooi om waar te zijn. ‘Een schone landbouw is haalbaar met stevig fiscaal beleid, niet met polderprietpraat’, stelde hij in een opinieartikel in de Volkskrant (23 januari 2019). Het is een directe aanval op Louise Vet en andere ecologen als hij schrijft: ‘Het is de taak van de wetenschap om te onderzoeken hoe de natuur in elkaar zit en niet om maatschappelijke compromissen te sluiten en bij te dragen aan nietszeggende polderprietpraat.’

Berendse benadrukt de urgentie van ingrijpen: ‘De laatste decennia is het Nederlandse platteland veranderd in een ecologische woestijn. De verstikkende deken van ammoniak en landbouwgif die over ons landschap ligt, heeft vergaande gevolgen, niet alleen voor de natuur, maar ook voor onze gezondheid en voor het agrarische bedrijf. Het wordt bijvoorbeeld steeds moeilijker om ziekten in het gewas in toom te houden door steeds snellere resistentieontwikkeling bij plaaginsecten. Fins onderzoek heeft aangetoond dat natuur en schone landbouw essentieel zijn voor de ontwikkeling van een goed werkend immuunsysteem bij kinderen.’

‘Ik begrijp die pijn heel goed, want ik voel die ook’, zegt Louise Vet over de kritiek van Berendse. ‘Ik wéét hoe slecht het gaat.’ Ze heeft Berendse inmiddels ook gesproken en hij begrijpt haar strategie nu al een stuk beter, zegt ze. ‘Een solo-lobby kán gewoon niet meer.’ En ja, het Deltaplan is een nieuwe vorm, met nieuw te ontwikkelen governance-structuren, maar er is geen tijd om te wachten op onderzoek. ‘We moeten nú beginnen.’ Belangrijk is volgens haar dat dit ‘uit de maatschappij komt’ en dat ‘de kracht van deze coalitie heel breed is’. ‘Noem me naïef, maar uiteindelijk heeft ieder mens het nodig om niet meer die constante frustratie te voelen. Ik wil mensen verleiden met optimisme waar je deel van wil uitmaken. Ik wil later terugkijken en zeker weten dat het aan mij niet heeft gelegen. Dat ik alles heb gedaan wat ik kon.’

En over dat hatelijke ‘polderprietpraat’ wil Vet graag nog kwijt dat deze coalitie juist niet poldert. ‘Bij polderen lever je allemaal wat in en is niemand tevreden. Polderen is ook niet innovatief. Wij hebben juist een gedeelde toekomstvisie die de weg vrij maakt voor innovatie. Iedereen heeft hier belang bij en iedereen wint. Vergelijk het met preventie van ziekte. Als je kijkt naar het functioneren van de bodem krijg je met een nieuwe manier van werken uiteindelijk veel minder ziekten en plagen. Dat is ook in het belang van de boeren. Dat is in het belang van iedereen.’

‘De strategie van de confrontatie tussen de boer en de natuurbeschermer, die polarisatie, kent alleen maar verliezers’
Uiteindelijk is intensivering en de race naar de laagste kostprijs voor boeren namelijk net zo frustrerend. ‘Er is een breed besef dat dit een doodlopende weg is’, betoogt Vet. ‘De kostprijs kán bijna niet meer verder omlaag. Op die bulk gaan we het niet meer redden in de toekomst. Waar ben je als boer dan mee bezig? Je kunt uiteindelijk toch niet tegen de productie in lagelonenlanden op. Wat maakt ons in Nederland zo waardevol? Dat zal ook een kwaliteitskeurmerk zijn. Nederland is als metropool vergelijkbaar met Beijing. Als wij kunnen laten zien dat we in deze delta landbouw kunnen verduurzamen en tegelijkertijd biodiversiteit kunnen laten stijgen, dan hebben wij een fantastisch exportproduct.’

Ook Ruud Tijssens denkt dat boeren in Nederland uiteindelijk open staan voor nieuwe modellen. Hij vertelt dat Agrifirm laatst een webinar organiseerde en dat het onderwerp ‘strokenteelt’ aan de orde kwam. Bij strokenteelt verbouwt een boer verschillende gewassen naast elkaar in plaats van slechts één gewas in grote bulk. Diversiteit in bodemgebruik dus. ‘Voor de meeste boeren is dat een compleet nieuwe manier van werken’, zegt hij. ‘Verrassend genoeg vond meer dan de helft van de boeren het realistisch dat strokenteelt een begaanbaar pad zou worden in de komende tien tot vijftien jaar.’

In het opiniestuk van Frank Berendse krijgen ook de natuurorganisaties ervan langs: ‘Nu kun je van naïeve ecologen nog begrijpen dat ze zich hebben laten inpakken door landbouworganisaties en de bestrijdingsmiddelenindustrie. Bij professionele organisaties als Natuurmonumenten en het Wereld Natuur Fonds is er alle reden om de wenkbrauwen te fronsen. Jarenlang hebben deze organisaties weggekeken van de grote problemen op het Nederlandse platteland en zelfs nu weigert men om zich hard te maken voor echte oplossingen.’

Teo Wams, directeur natuurbeheer van Natuurmonumenten, vindt dat natuurbeheerders en boeren veel meer gemeen hebben met elkaar dan vaak wordt gedacht. ‘Ze geven allebei om de grond en delen elkaars gevoelswereld. De boswachter en de boer spreken elkaars taal.’ Hij is ervan overtuigd dat natuurorganisaties moeten ‘inzetten op begrip en het maken van contact met boeren. De strategie van de confrontatie tussen de boer en de natuurbeschermer, die polarisatie, kent alleen maar verliezers.’

Vaak wordt de discussie over het platteland gevoerd in het raamwerk van de tegenstelling sparing versus sharing. Voorstanders van sparing vinden dan dat er meer grond moet worden teruggegeven aan de natuur, terwijl de rest intensief moet worden gebruikt voor de voedselvoorziening. Voorstanders van sharing vinden daarentegen dat alle grond gezamenlijk duurzamer moet worden gebruikt, met inachtneming van de natuur. De beroemde bioloog E.O. Wilson schreef een typisch sparing-pleidooi met zijn boek Half-Earth (2016), waarin hij het teruggeven van de helft van het aardoppervlak aan de natuur als enige oplossing ziet voor het redden van de mensheid op aarde.

Wams vindt dat in een dergelijke framing van de discussie het gevaar schuilt van ideaaltypische beelden. ‘Het helpt wel de gedachten te scherpen, maar het is niet óf het een óf het ander. Het is vaak allebei.’ Natuurmonumenten heeft vanaf 1905 stukken grond opgekocht en geprobeerd de natuur daarop te beschermen. ‘Daar moeten we ook vooral mee doorgaan. Het blijft belangrijk om grond in Nederland veilig te stellen voor natuur.’ Maar hij wijst erop dat Nederland een klein land is waar ‘volledige sparing sowieso onmogelijk’ is. Uiteindelijk krijgen kleine natuurgebieden ook last van het intensieve gebruik van de grond ernaast. ‘Zo’n ultieme scheiding gaat gewoon niet werken in Nederland.’

Zowel de landbouw als de natuurorganisaties hebben volgens hem te lang in een ‘non-interventiestand’ gestaan. De ene groep probeerde natuur uit te breiden en de andere groep bleef maar doorgaan met het intensiveren van de landbouw. Met het Deltaplan Biodiversiteitsherstel lijkt daar verandering in te komen, maar dat kan niet zonder de overheid. ‘In Nederland heeft de overheid altijd een belangrijke rol gespeeld bij de ruimtelijke inrichting’, zegt Wams. ‘Denk alleen al aan de ruilverkaveling. De overheid moet nu gaan bijdragen aan nieuwe verdienmodellen, maar er zouden bijvoorbeeld ook grotere overgangsgebieden moeten komen tussen natuurgebieden en intensieve landbouwgrond.’

Het lijkt erop dat visies daadwerkelijk beginnen te veranderen. Zo presenteerde minister Carola Schouten onlangs haar landbouwvisie rondom het toverwoord ‘kringlooplandbouw’. En stelt ze 2,5 miljoen beschikbaar voor wetenschappelijk onderzoek naar het verlies van soorten in het agrarisch gebied. Het kabinet investeert bovendien de komende jaren in Noord-Nederland via de Regio Deal Natuurinclusieve Landbouw.

‘Het is echt een trendbreuk. Hopelijk is het ook echt een begin van nieuwe sturing, van maatregelen’, zegt Wams. Neem het mestoverschot, dat Nederland onder een ‘stikstofdeken’ legt. ‘Het uitgangspunt zou moeten zijn dat je niet meer vee houdt dan de grond kan voeden. Het idee dat Nederland zo uniek zou zijn en de wereld zou moeten voeden is echt onzin.’ Nederland zou zich volgens Wams juist kunnen onderscheiden door biodiversiteit. Dat is ook vanuit het oogpunt van klimaat van belang. ‘Door het slechte beheer van de bodem is de hoeveelheid koolstof die daaruit verdwenen is bijna net zo groot als de extra koolstof in de lucht. Stel je voor wat er gebeurt als die bodems weer gezond gaan worden. Vroeger bleven al dit soort gedachten beperkt tot een kleine kring, maar nu wordt het echt mainstream.’

Louise Vet deed jarenlang onderzoek naar de interacties tussen planten en insecten. ‘Maar een plant houdt niet op bij de bodem, dus toen ben ik ook de bodem in gedoken om te onderzoeken hoe bovengrondse en ondergrondse levensgemeenschappen via die plant met elkaar verbonden zijn: de planten, het wortelstelsel, de insecten, microben zoals schimmels en bacteriën, en hoe die allemaal samenwerken. Inmiddels weten we hoe belangrijk zo’n levende en biodiverse bodem is voor alle functies van de plant en het hele voedselweb. Een fascinerende en effectieve samenwerking, dat is wat we zien in de natuur.’

 

Bron: De Groene Amsterdammer